Fortis is niet alleen thuis in de Kosmos maar ook in de Kamer. En wel aan de pols van VVD-er Ard van der Steur. Dit jaar verruilde hij de advocatuur voor de landelijke politiek. Het streepjespak bleef en de zegelring en het horloge uit het midden van de vorige eeuw ook. Het uurwerk oogt fraai op de Staatsalmanak van een slordige eeuw eerder, die hij speciaal voor dit doel tevoorschijn haalt uit de boekenkast in zijn werkkamer. Maar eerst vandaag, de Dag van de Duurzaamheid.
“Het is een van de vele thema’s waar het conflict ligt tussen economie en milieu. Als je die twee niet in balans brengt, zal het eindresultaat niet duurzaam zijn. De vernieuwing die daar nodig is, is dat die twee dingen hand in hand moeten gaan, zoals in de dagen van Winsemius en ook die van Nijpels.“ Gaat de ontwikkeling meer die richting op, of juist minder? “De tendens bij de pressiegroepen is, geen aandacht te willen hebben voor de economie. Daar zie je dus een tegenreactie. Als ik jou probeer de kamer uit te duwen, is er een goeie kans dat je niet gaat. Dat zie je ook in de milieuwereld. En dat is helemaal niet nodig, want het is ons aller belang. Maar in de politiek is er weinig begrip voor dat je het samen moet doen in plaats van de een tegenover de ander.”
“O tempora o mores [1]. Wat denk ik kenmerkend is voor deze tijd is de enorme snelheid van de informatie. Daar vloeit een bepaalde vluchtigheid en oppervlakkigheid uit voort. Ik zie dat bij studenten bijvoorbeeld, in een gebrek aan interesse voor kennis
en voor geschiedenis. En in een heel oppervlakkige manier van het doen van klussen. De ‘vergoogelisering’ van onze samenleving vind ik een groot punt van zorg. Twitter heeft daar ook aardig bij geholpen. Het is de waan van de dag. Gisteren en eergisteren stond ik op de voorpagina van alle grote kranten in Nederland, en vandaag helemaal niet meer. [2] Een op zich belangrijk onderwerp krijgt soms binnen 24 uur geen aandacht meer. Binnen je portefeuille moet je een lange-termijnvisie hebben over waar je naartoe wilt. Hoe moet de samenleving eruit zien nadat wij -in ons geval als liberalen- de kans hebben gehad om die samenleving vorm te geven? Bij sommige politici zie je dat ze die niet hebben; die varen op de waan van de dag. Hun zal naar mijn mening geen lang leven beschoren zijn.”
Hoe lang moet een Kamerlid zitten om een goed ingevoerd politicus te zijn? “In de tijd van Frans Weisglas zei men pas na vijf jaar tegen kamerleden: het wordt tijd dat jij eens wat gaat zeggen. Dat is natuurlijk totaal veranderd. Mensen die hier nog maar vijf maanden zitten, staan nu begrotingen te behandelen. Begroten is natuurlijk de kern van onze regeringsmethodiek. Een positief punt van onze tijd is, dat de mensen die hier nu zitten geleerd hebben om zich heel snel aan te passen en ook heel snel verantwoordelijkheid durven te dragen. Ik geloof wel dat het verstandig is om na een jaar of tien, twaalf, wat anders te gaan doen.”
Hoe waren de eerste vijf maanden? “Het is echt elektrisch om dit te mogen doen. Vroeger wilde ik brandweerman zijn, en daarvoor Indiaan, maar dat ging dus niet lukken. Ik heb wel de jeugdbrandweer geïntroduceerd in mijn gemeente; de brandweerman zit er toch een beetje in. Ook fantastisch is de manier waarop je hier binnenkomt. Het gevoel is dat van je eerste dag op de middelbare school. Een gebouw dat je niet kent. Je weet niet waar je naartoe moet. Er lopen allerlei mensen voorbij, die je niet durft aan te spreken. Of ze zien je niet staan. Je loopt met een tas vol spullen waarvan later blijkt dat je ze niet nodig hebt. Er gaan bellen af waarvan je denkt: wat ís dit? En als iemand je dan vertelt waar je naartoe moet, weet je niet waar ‘t is. En dat dan samen met het feit dat er opeens inhoudelijke eisen aan je worden gesteld waaraan je nauwelijks meteen kunt voldoen. Tegelijkertijd is het fantastisch, want wie krijgt de kans om in zijn leven zo’n stap te maken waarbij je inhoudelijk nog eens een extra uitdaging krijgt. Ik kan morgen ook bij Artis gaan werken, maar dan weet ik waar ik uitkom: in het olifantenverblijf, om drollen te schuiven, want verder kunnen ze daar niks met mij. Maar hier kun je met alles wat je vergaard hebt, op hoog niveau meedoen aan iets wat essentieel is voor onze samenleving.”
Welke doelpunten zet je de komende tijd? “Wat het strafrecht betreft, moeten we in Nederland zorgen dat de pakkans duidelijk vergroot wordt. Weten dat je gepakt wordt is echt de enige manier waarop je mensen ervan weerhoudt om bewust strafbare feiten te plegen. Daar wil ik mijn bijdrage aan leveren. In het civiele recht zullen we substantieel moeten kijken naar de toegang tot de rechter, en ook naar alternatieven daarvoor, waaronder mediation. Ik ben met een groep van experts bezig om te kijken of we daar een soort voorportaal voor de rechter van kunnen maken.” En verder? “De samenleving hangt van het civiele recht aan elkaar. Je moet kijken of we alle regeltjes hebben omdat we ze echt willen hebben, of dat ze in de loop der tijd zijn ontstaan zonder dat we ons afvragen of we ze nog nodig hebben. Ook aan die operatie wil ik graag een bijdrage leveren. En, over tijd gesproken, daar moet je nú mee beginnen, want ik heb allang bekeken dat het wiel hier zo verschríkkelijk langzaam draait, dat ik nu met de initiatiefwetten zou moeten komen als ik in een zittingsperiode van vier jaar nog wil meemaken dat ze gereed komen.”
Hoe kijkt een voormalig advocaat, nu politicus, aan tegen de actuele perikelen in de rechtspraak? “Ik maak me heel veel zorgen over het aanzien van de rechterlijke macht. Uiteraard heeft dat te maken met dingen als de procesvoering tegen Wilders, met de zaak van Chipshol en oud-rechter Westenberg, met de notitie van de heer Knapen, en nog andere aspecten. Wij als Kamer zijn onderdeel van de rechtsstaat en we hebben dus ook een verantwoordelijkheid voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Aan de ene kant mogen we er best kritisch over zijn -en daar is her en der best reden voor ook al zijn dat incidenten- tegelijkertijd moeten we ook pal blijven staan voor de onafhankelijkheid en de kwaliteit van de rechterlijke macht.”
En het horloge? “Ik draag het Fortis-horloge van mijn grootvader van moederskant. Hij was de allereerste Nederlandse actuaris. Hij heeft een proefschrift geschreven dat van voor tot achter helemaal vol stond met cijfers. Hij was ook feilloos op de hoogte van alles wat met politiek en de economie te maken had. Daar kon hij eindeloos over praten. Bij het spitten in de tuin vond hij ooit eens een hoefijzer. Hij zei: dit brengt geluk, ik begin voor mezelf. Zijn horloge heb ik na zijn overlijden gekregen van mijn grootmoeder. Het hoefijzer heb ik ook. Fortis is een Zwitsers merk dat met name beroemd is geworden door het maken van de horloges voor kosmonauten. Dit horloge is denk ik uit de jaren ’50. Ik vind het heel mooi, ook omdat het een eigen tijdsdefinitie hanteert: als je veel loopt, loopt de tijd ook wat harder, en als je veel zit loopt-ie wat langzamer. Het mooie is dat dit horloge dus ook aangeeft dat tijd een relatief begrip is. In mijn leven is tijd enerzijds mijn minnares en anderzijds mijn beul.”
Toch maar even naar de waan van de dag: hoeveel resultaten krijg je als je minnares googelt? Meer dan honderdduizend. En beul? Zowat het driedubbele. Maar met getallen heeft Van der Steur veel minder dan zijn grootvader. Op de wijzerplaat van zijn horloge staan er achttien. Ruim voldoende om tot op de seconde te kunnen zien hoe laat het is, ook al zitten er soms wat langzamere en dan weer wat snellere seconden bij.
[1] Marcus Tullius Cicero in zijn Eerste Catilinarische Rede, gehouden op 7 november 63 v.Chr. voor de Romeinse Senaat.
[2] O.a. in FD 09-11-2010, n.a.v. de uitspraak van het Haagse Hof inzake de voorgenomen ontruiming van diverse kraakpanden: “Het ziet ernaar uit dat het hof heeft gekozen het recht op wonen hoger te achten dan het recht op eigendom. In de Tweede Kamer is in de aanloop naar de wet andersom geoordeeld.”